Bijna altijd via de onderste lamel, de enige die van buiten vast te pakken is. Er zijn twee gebruikelijke manieren:
- Optillen. Er wordt iets onder gestoken, er wordt gewrikt en het rolluik gaat zo ver omhoog langs de geleiders dat iemand eronderdoor kan of bij het raam kan komen.
- Verbuigen. De lamel wordt in het midden ingeduwd tot hij krom trekt en uit de geleiders komt.
Een lamel is een dunne, lange strook. Duwt u in het midden, dan geeft hij mee; trekt u van onderen, dan gaat hij omhoog. En er hoeft meestal niets opvallends kapot.
Het gebeurt vooral bij ramen aan achterpatio’s, afgeschermde terrassen of gemeenschappelijke ruimtes waar weinig mensen langskomen, en bij huizen die een tijd leegstaan. Daarom werken we juist aan die lamel: bekijk de rolluikbeveiliging.